"Ups" en "downs" in het Indische leven
In de welvarende kringen van het koloniale Indië volgen we de familie Uhlstra en hun gast Geber, oude buren en suikerplanters die hun fortuin op het land verdienden. De oude Uhlstra heeft zich na een halve eeuw teruggetrokken in een gastvrij stadshuis vol partijen en logés, terwijl zijn zoon Henri het beheer voert. Wanneer een brief onthult dat het op Gebers onderneming misloopt — door de twijfelachtige Joop die er de baas speelt — komt de zorgeloze weelde langzaam onder druk te staan, en blijken voorspoed en achteruitgang dicht bijeen te liggen.
Daum schildert met scherp realisme de Indische samenleving: de jovialiteit en verkwisting, het materialisme en de morele verzwakking van Europeanen onder de tropenzon. De titel vat zijn thema samen — de grilligheid van rijkdom en geluk. Als naturalistisch sleutelwerk geeft het een ongezouten, blijvend waardevol beeld van het laat-negentiende-eeuwse koloniale bestaan.
How it begins
Nu er dien vooravond toch geen visite werd verwacht en geen bezoek werd gebracht, was mevrouw Uhlstra met haar dochters gaan toeren in den helderen maneschijn. Ze waren het uitgaan en het ontvangen van „menschen” zoo gewoon in den laatsten tijd, dat het haar toescheen alsof er een ziek was van de familie, wanneer ze rustig bij elkaar bleven zitten zoo’n heelen avond. De oude heer ging niet meê: hij hield z’n logé gezelschap. Veel spraken die twee samen niet. Ze kenden elkaar al zooveel jaren! Hun landgoederen werden slechts gescheiden door een smalle rivier, die ze indertijd overbrugd hadden om gemakkelijk bij elkaar te kunnen komen, voor een praatje of een partijtje. Zóó hadden ze op het land geleefd, vele jaren, als goede buren; nu en dan in heftigen twist over kleinigheden, waarop al heel gauw de hartelijkste verzoening volgde,—met ’n groote fuif; dat was usance! Maar Uhlstra had er ten slotte den brui van gegeven. Ofschoon flink en krachtig en kerngezond, had hij op z’n vijftigsten verjaardag gezegd, dat het nu wèl was. Zijn halve leven had hij gesleten op zijn land; zijn oudste zoon was meerderjarig en kon hem thans goed vervangen in het beheer; geld hadden ze genoeg en de meisjes, die groot waren geworden, meenden ook dat het veel prettiger zou zijn in de stad te leven.
Text from Project Gutenberg, public domain.