Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken volgt R. Casimir de wortels van de westerse wetenschap en wijsbegeerte, te beginnen in het oude Griekenland. Hij toont hoe land, volksaard en het ontbreken van een gesloten priesterkaste de Grieken de vrijheid gaven tot zelfstandig denken. Van het Aegeïsche en Mykeensche tijdperk, langs de Griekse Middeleeuwen met hun ridders en rhapsoden, voert hij de lezer naar de opkomst van handel, steden en een zelfbewuste burgerij die de aristocratie uitdaagt. Zo schetst dit eerste deel de geleidelijke losmaking van het individu uit de banden der overlevering.
Centraal staan de groei van het menselijke denken en de wisselwerking tussen maatschappij, godsdienst en kennis. Casimir laat zien hoe lyriek, kunst en wijsbegeerte ontluiken, en hoe het geloof verschuift naar monotheïsme en zedelijke idealen. Het werk blijft betekenisvol omdat het de oorsprong van vrij, kritisch denken verbindt met de concrete voorwaarden waaronder een beschaving haar geestelijke bloei beleeft.
How it begins
De beginselen onzer wetenschap zoeken we in Griekenland. We willen trachten, enkele oorzaken aan te geven, die er toe leidden, dat hier in de oudheid zoo groote geestesbloei ontstond. Het land —zijn bodem, geleding en kustontwikkeling—is één factor. Betrekkelijk onvruchtbaar, noopte het zijn bewoners tot inspanning, en al spoedig gingen deze, mede aangelokt door de op vele plaatsen het land binnendringende zee, varen, wat hen met volkeren, meer beschaafd dan zij, in aanraking bracht. Een zwerm eilanden vormde de brug naar Azië. De vele bergen, die het land in allerlei hoekjes verdeelen, waren gunstig voor de ontwikkeling eener eenmaal begonnen beschaving: niet zoo licht als in een vlakte breidt zich een veroverend volk uit over ’t geheele land, en vernielt en verwoest alles. Dit land was bewoond door een volk van groote begaafdheid. Ziehier de tweede factor. Een derde moment kwam er bij. In de oudheid moet, voor het ontstaan van wetenschap, wel haast een priesterschap aanwezig zijn, die den noodigen vrijen tijd heeft om te kunnen „studeeren.” Maar zoo een priesterstand wordt licht een gesloten priesterkaste, houdt zijn kennis voor zich, en krijgt ten slotte een starre leer, die niet verandert of vernieuwt. Dezelfde stand, die eens de wetenschap groot bracht, houdt nu haar ontwikkeling tegen.
Text from Project Gutenberg, public domain.