Herfsttij der Middeleeuwen / Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden
Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het verleden zoekt. Huizinga keert dat perspectief om: hij beziet de veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden niet als de dageraad van de Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen, een rijke beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom met overrijpe vruchten. Aan de hand van kroniekschrijvers als Froissart en Chastellain, de dichter Deschamps, theologen als Gerson en de schilder Jan van Eyck schetst hij hoe het leven toen scherpere vormen had: feller in vreugde en leed, doortrokken van ridderidealen, hoofse liefde, vroomheid en de alomtegenwoordige gedachte aan de dood.
Centraal staat het verstijven en verdorren van een cultuur die in vormen, ceremonies en symbolen verstrikt raakt. Het boek toont hoe levensstijl, kunst en denkvormen samenhangen met de geest van een tijdperk. Als baanbrekend werk van cultuurgeschiedenis blijft het onmisbaar voor wie de overgang naar de moderne wereld wil begrijpen.
How it begins
Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het verleden zoekt. Men wil weten, hoe de nieuwe gedachten en nieuwe levensvormen, die in later tijden in hun volheid stralen, ontloken zijn; men beziet elken tijd bovenal om de beloften, die hij bergt voor de volgende. Hoe ijverig heeft men in de middeleeuwsche beschaving naar de kiemen der moderne cultuur gespeurd; zoo ijverig, dat het soms schijnen moest, alsof de geestesgeschiedenis der Middeleeuwen nauwelijks iets anders was geweest dan de advent der Renaissance. Immers, overal zag men in die tijden, die eenmaal als star en doodsch gegolden hadden, het nieuwe reeds ontspruiten, en alles scheen te wijzen naar toekomstige volmaking. Doch bij het zoeken naar het nieuwe leven, dat opkwam, vergat men licht, dat in de geschiedenis als in de natuur het sterven en het geboren worden eeuwig gelijken tred houden. Oude beschavingsvormen sterven af terzelfdertijd en op denzelfden bodem, waarin het nieuwe voedsel vindt om op te bloeien. Hier is beproefd om de veertiende en vijftiende eeuw te zien, niet als de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen, de middeleeuwsche beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom met overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld. Het woekeren van oude, dwingende denkvormen over de levende kern der gedachte, het verdorren en verstijven van een rijke beschaving,—dat is de hoofdinhoud van deze bladzijden.
Text from Project Gutenberg, public domain.