Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
’t Verhaal volgt een naamloos „dichtertje” dat door de straten van Amsterdam dwaalt, verteerd door verlangen naar de „wetende oogen” van de talloze meisjes die hij tegenkomt. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen zijn poëtische idealen en zijn burgerlijke zwakheid, terwijl de Duivel hem vergezelt en bespot. Boven dit alles troont de God van Nederland — een sjofele, peinzende heer met een strooien hoed — die zich verbaast over deze zonderlinge dichter en niet meer weet wat hij met hem aan moet. Samen met „De Uitvreter” en „Titaantjes” vormt het een drieluik over jonge mannen die niet passen in de nuchtere, fatsoenlijke Hollandse maatschappij.
Centraal staan het conflict tussen hooggestemde dromen en de grauwe werkelijkheid van werken of vervelen, en de onmacht van gevoelige zielen tegenover de braafheid van „heel Nederland”. Nescio schildert met milde ironie en weemoed de teloorgang van jeugdig idealisme. Zijn beknopte, muzikale proza maakt deze novellen tot klassiekers van de Nederlandse literatuur, onverminderd raak in hun spot met burgerlijkheid en hun heimwee naar het oneindige.
How it begins
’t Klopte niet. Ergens moest een fout zijn. Een dichter met nergens haar, dat was heel vreemd. Sedert dertig jaar hield de God van Nederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aan had. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs. En nu dit. „Hij heeft gezegd, dat hij vol van mij is. Vroeger kon je daar op aan.” God zuchtte. Hij zou er morgen eens met Potgieter over spreken. Je had tegenwoordig niets dan narigheid aan je hoofd. Daar beneden in de Leidsche straat liep een meisje. Met vaderlijk welgevallen zag God op haar neer. Het meisje was als honderde andere meisjes dien zomer, heelemaal in ’t wit, zijden blouse, korte frotté rok, witte kousen, fijne enkeltjes en lage witte schoentjes en had lieve oogen als honderde andere meisjes in Amsterdam. Oogen die kijken alsof ze iets heel bijzonders weten. Dat vonden ze ook weer niet goed. Nooit had ons Lieve Heer daar vroeger iets bij gedacht. En nu hatti kwestie. ’t Was begonnen met versjes over „wetende oogen.” Toen zei er één, dat ’t allemaal bedrog was, een vroom bedrog van God. Dat ze niets wisten en alleen maar keken alsof, zonder dat ze ’t konden helpen. Nooit had God er over nagedacht. Tegenwoordig brachten ze hem over alles aan ’t denken.
Text from Project Gutenberg, public domain.