Camera Obscura
De schaduwen en schimmen van nadenken, herinnering en verbeelding vallen in de ziel als in een camera obscura — zo opent Hildebrand (pseudoniem van Nicolaas Beets) deze bundel schetsen uit het Nederland van rond 1840. Geen doorlopend verhaal, maar een reeks scherp geobserveerde taferelen: een diakenhuismannetje, de families Kegge en Stastok, een dagje buiten, een Leidse studentenwereld. Met milde spot en liefdevolle precisie tekent de schrijver gewone mensen, hun kleine ijdelheden, hun gewoonten en hun spraak, en maakt zo van het alledaagse kleine schilderijtjes.
Het werk geldt als een hoogtepunt van de negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur en als meesterstuk van humor, realisme en karakterschildering. Het houdt de burgerij een spiegel voor, vol warmte maar ook ironie, en bewaart tegelijk een levendig tijdsbeeld van een verdwenen wereld. Juist die mengeling van scherpe menskennis, fijne stijl en gemoedelijke toon maakt de Camera Obscura tot een klassieker die generaties lezers is blijven boeien.
How it begins
De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en Verbeelding vallen in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommige zoo treffend en aardig dat men last gevoelt ze na te teekenen en, met ze wat bij te werken, op te kleuren, en te groepeeren, er kleine schilderijen van te maken, die dan ook al naar de groote Tentoonstellingen kunnen gezonden worden, waar een klein hoekje goed genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten op zoeken; want niet alleen staat er honderdmaal een neus van Herinnering op een gezicht van Verbeelding, maar ook is de uitdrukking des gelaats zoo weinig bepaald, dat een zelfde tronie dikwijls op wel vijftig onderscheiden menschen gelijkt. Anonymus in libro non edito. Voorbericht, Zesde Druk; 1864. Het is nu juist vijfentwintig jaren geleden dat, in het najaar van 1839, de Camera Obscura hare intrede in de wereld deed. De pseudonieme Schrijver, toen zelf nog maar even vijfentwintig jaren oud, ofschoon in een ander vak van letterkundige voortbrengselen, onder zijn eigen naam, niet onvriendelijk door zijne landgenooten opgenomen, zag zijne stoutste verwachtingen overtroffen, als de buitengewoon hartelijke ontvangst van dit zijn werk binnen ’t halfjaar een tweeden druk noodzakelijk maakte, welke dan ook in ’t voorjaar van 1840 het licht zag.
Text from Project Gutenberg, public domain.